Aan de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
17 november 2025
Betreft: Ongelijke behandeling Indische Gemeenschap
Geachte leden van de Tweede Kamer,
Op 13 november 2025 stuurde Staatssecretaris Tielen van het Ministerie van
Volksgezondheid Welzijn en Sport u een brief over de ongelijke behandeling van de IndischeNederlander, die de Japanse terreur tijdens de Tweede Wereldoorlog hebben ondergaan. Deze ongelijke behandeling werd in 2022 door de rechter vastgesteld, en ook door de Nederlandse staat erkend, in een rechtszaak die mede door de Stichting Japanse Ereschulden (JES) was gestart.
De redenen die de staat aandroeg als rechtvaardiging voor de voortdurende ongelijke behandeling van slachtoffers van Japans geweld werden stuk voor stuk door de rechter afgewezen. De rechter stelde dat deze slachtoffers, net als slachtoffers van geweld onder het naziregime, hadden moeten én zouden moeten worden gecompenseerd. Alleen door het beroep van de staat op juridische verjaring wees de rechter individuele compensatie af; zonder die verjaring zou de staat tot compensatie zijn veroordeeld.
Verjaring is in dit verband bijzonder pijnlijk, omdat dit oorlogsleed een leven lang meegaat en zelfs aan volgende generaties wordt doorgegeven. De rechter vond dat deze juridische conclusie geen recht deed aan de slachtoffers en riep daarom de staat en JES op gezamenlijk tot een oplossing te komen voor deze individuele ongelijke behandeling.
In haar brief stelt de staatssecretaris dat het gezamenlijk tot een oplossing komen alleen mogelijk is binnen het beleid van de collectieve erkenning. Juist door zich achter dit beleid te verschuilen hebben de bewindslieden van VWS en dus ook deze staatssecretaris een barrière opgeworpen om een gesprek over de individuele ongelijke behandeling mogelijk te maken.
De staatssecretaris stelt bovendien ten onrechte dat er overleg zou zijn geweest met JES.
Constructief overleg, waartoe de rechter heeft opgeroepen, is door de staatssecretarissen van VWS – Van Ooijen, Karremans en ook de huidige staatssecretaris – structureel uit de weg gegaan. Van Ooijen stelde zelfs dat overleg alleen mogelijk zou zijn, indien JES op de voorhand al afstand deed van het streven naar compensatie voor de genoemde individuele ongelijke behandeling.
Het gaat de slachtoffers om echte erkenning, en echte erkenning is slechts volledig wanneer individuele compensatie daar deel van uitmaakt.
De brief van de staatssecretaris schetst een onjuist beeld van de werkelijkheid en onderstreept dat, wat deze staatssecretaris betreft, de ongelijke behandeling zou mogen voortduren. De vergoedingsregelingen waar in de brief naar wordt verwezen, betreffen andere vormen van schade, niet de directe oorlogsschade, waar overigens ook andere oorlogsgetroffenen voor in aanmerking zijn gekomen.
Saillant is dat Nederland als enig land zijn eigen slachtoffers niet compenseert, terwijl de rechten van deze slachtoffers door Nederland zelf werden wegonderhandeld tijdens de compensatieonderhandelingen met Japan na de oorlog. Het Yoshida–Stikker akkoord uit 1956 bepaalde dat Nederland 10 miljoen dollar compensatie van Japan ontving, waarmee volgens de Nederlandse staat de kwestie was afgedaan. Dit gebeurde vanwege grote geopolitieke belangen die tijdens de Koude Oorlog speelden. Daarvoor kan politiek gezien wellicht enig begrip bestaan, maar het ontslaat Nederland niet van de verantwoordelijkheid jegens haar burgers – in casu de Indische-Nederlander – die de terreur van Japan tijdens de Tweede wereldoorlog heeft ondergaan door vrijheidsberoving, lichamelijke en geestelijke marteling en vernedering. En velen die het met de dood hebben moeten bekopen.
De Verenigde Staten, Australië, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk compenseerden hun slachtoffers wél, en juist ruimhartig.
Gegeven de inmiddels hoge leeftijd van de slachtoffers – het is dit jaar 80 jaar geleden dat Japan capituleerde – dringt de tijd. De groep die nog leeft is klein en het totaalbedrag voor compensatie zou beperkt zijn.
Het heeft er alle schijn van dat de Nederlandse staat al 80 jaar een strategie hanteert waarbij wordt gewacht tot de groep slachtoffers uit Nederlands-Indië is overleden, zodat geen enkele compensatie meer hoeft te worden verstrekt. Dit heeft een enorm negatief effect op de ruim twee miljoen Nederlanders die een verbinding hebben met Nederlands-Indië. Met als gevolg gevoelens van boosheid, teleurstelling, verdriet, in de steek gelaten zijn en discriminatie. Gevoelens gemaskeerd door het Indisch Zwijgen….. sudah laat maar…… terwijl het leed zich vertaalt in een posttraumatische stoornis die van generatie naar generatie wordt doorgegeven. De Nederlandse staat vindt dat deze Nederlanders niet meer meetellen, ondanks hun zeer significante bijdrage aan de welvaart van Nederland.
Wij vragen u als Kamerlid uw persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen en samen met ons te strijden voor echte erkenningen individuele compensatie.
Hoogachtend,
Het Bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden
mr. Erik W. Martens
Waarnemend voorzitter
