Petitie #241: Coercion by Japanese military of women and girls into sexual slavery is an undeniable fact and a war crime of the worst kind.

Petitie #241: Coercion by Japanese military of women and girls into sexual slavery is an undeniable fact and a war crime of the worst kind.

His Excellency Shinzo ABE

Prime Minister of Japan

The Hague, 9 December 2014

Petition: 241

Subject: Coercion by Japanese military of women and girls into sexual slavery is an undeniable fact and a war crime of the worst kind.

Excellency,

It is unbelievable that the Yomiuri Shimbun deemed it necessary to apologize in reporting the truth about the coercion into sexual slavery of women and girls by the Japanese military. The Military Court Martial of Batavia, Dutch East Indies, concluded in 1947 without any doubt that officers of the Japanese Imperial Army were guilty of coercing into prostitution Dutch women and girls from concentration camps under management by the Japanese army. The women and girls were kept and treated as slaves for the pleasures of Japanese officers. It is an undeniable fact and resulted in severe punishments including the death penalty of the main culprit. Documents available to the Court, which are kept in Dutch archives, established without doubt the coercion of the women and girls kept as sex slaves for the Japanese military.

Prime Minister,

Denying the coercion because of lack of proof in existing official Japanese documents begs the question whether these documents were not destroyed along with many other documents hiding the Japanese war crimes. You cannot change history by pretending that it did not exist. The denial of Japan’s war past is equivalent to the denial of the Holocaust. On behalf of Japan you must acknowledge the past and take responsibility for it.

Yomiuri Shimbun printed the truth and had no need to apologize for it.

The world media know this and assume the reasons. Only you can rectify this by a genuine personal acknowledgment.

Repent and take responsibility for it in accepting the consequences of these and other horrendous Japanese war crimes.

 

On behalf of the Foundation of Japanese Honorary Debts,

J.F. van Wagtendonk

President

Persbericht 01 juni 2022

Uitspraak op 1 juni 2022 inzake proces JES c.s. tegen de Staat der Nederlanden.

Klik op de link voor het persbericht.

Persbericht 

Uitspraak op1 juni 2022 inzake proces JES c.s. tegen de Staat der Nederlanden

Rechtbank oordeelt dat de Staat slachtoffers van de Japanse bezetting ten onrechte ongelijk heeft behandeld ten opzichte van slachtoffers van de Duitse bezetting

De rechtbank Den Haag heeft op 1 juni 2022 uitspraak gedaan in de procedure van de Stichting Japanse Ereschulden (Stichting JES) en vijftien individuele oorlogsslachtoffers tegen de Nederlandse Staat. Stichting JES was een procedure gestart tegen de Nederlandse Staat vanwege de oorlogsschade die Nederlanders hebben opgelopen tijdens de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië. De oorlogsschade van slachtoffers uit Nederlands-Indië is namelijk tot op de dag van vandaag niet vergoed. Het verkrijgen van schadevergoeding in Japan is niet mogelijk, omdat dat is uitgesloten in het Vredesverdrag dat de Staat met Japan heeft gesloten. De Staat heeft ook niet zelf de oorlogsschade vergoed, terwijl hij wel schade heeft vergoed van oorlogsslachtoffers in Nederland.

De rechtbank heeft de vorderingen van eisers afgewezen vanwege verjaring. De rechtbank heeft echter wel overwogen dat de Nederlandse Staat de schade van de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetting ruimhartiger heeft vergoed dan de schade van de teruggekeerde Nederlandse slachtoffers van de Japanse bezetting. Volgens de rechtbank is hier geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor. Vanwege verjaring kan dit oordeel van de rechtbank niet tot toewijzing van de vorderingen leiden. Het oordeel is echter wel van groot belang omdat hiermee door de rechtbank is erkend dat de groep teruggekeerde Nederlanders uit voormalig Nederlands-Indië in nadelige zin ongelijk zijn behandeld ten opzichte van de Nederlanders die onder de Duitse bezetter hebben geleden. Zij hebben namelijk in mindere mate aanspraak kunnen maken op vergoedingen van oorlogsschade dan de Nederlandse slachtoffers van de Duitse bezetting. De Staat betwistte de ongelijke behandeling niet, maar voerde verschillende redenen aan om deze ongelijke behandeling te rechtvaardigen, bijvoorbeeld dat Indonesië verantwoordelijk was voor de vergoeding van de oorlogsschade. De rechtbank acht al deze redenen van de Staat niet overtuigend. Daarmee oordeelt de rechtbank dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de twee groepen oorlogsslachtoffers ongerechtvaardigd ongelijk te behandelen. 

Stichting JES is blij met dit oordeel van de rechtbank dat erkenning biedt aan de oorlogsslachtoffers voor de wijze waarop zij behandeld zijn door de Nederlandse Staat. Tegelijkertijd is er teleurstelling dat verjaring aan toewijzing van de vorderingen in de weg staat. Voorzitter Jan van Wagtendonk hoopt op een gesprek met de politiek. “Ik heb als voorzitter van de stichting van alle kanten geprobeerd om met de politiek rond de tafel te komen. Nu ligt er een vonnis waarmee we kunnen zeggen: ‘we hadden gelijk’. Vandaag is voor mij persoonlijk dus geen verlies.” De Stichting leest in de uitspraak van de rechtbank een oproep aan de politiek om het verschil in behandeling van de oorlogsslachtoffers van de Duitse en Japanse bezetters zoveel mogelijk recht te zetten. Vanwege de hoge leeftijd van de betrokkenen hoopt de Stichting dat vanuit de politiek hier op korte termijn invulling aan wordt gegeven. 

Een samenvatting en de volledige uitspraak zijn te vinden op de site van de rechtspraak.  

Stichting JES is graag bereid u nader in te lichten over deze zaak. U kunt daarvoor contact opnemen met Hein Leversteijn (Stichting JES) (tel. 06-21891858) of advocatenkantoor Stibbe dat Stichting JES in deze procedure bijstaat. Contactpersoon bij Stibbe is prof. mr. T. (Tom) Barkhuysen (tel. +31 20 546 03 90).

Persbericht 30 mei 2022.

Betreft: Nederlandse Staat nalatig bij erkenning en compensatie slachtoffers Japanse oorlogsmisdaden. Uitspraak rechtbank Den Haag op 01 juni a.s.

Beste redactie,

Ik mail u in mijn hoedanigheid als bestuurslid van Stichting Japanse Ereschulden (Stichting JES). Op woensdag 1 juni a.s. om 10:00 uur zal de rechtbank Den Haag uitspraak doen in de zaak waarin Stichting JES een procedure is gestart tegen de Nederlandse Staat vanwege de oorlogsschade die Nederlanders hebben opgelopen tijdens de Japanse bezetting in voormalig Nederlands-Indië. Graag breng ik bij u onder de aandacht dat de rechtbank de uitspraak tijdens een openbare zitting zal uitspreken. Journalisten kunnen de uitspraak fysiek bijwonen in de rechtbank. De uitspraak zal tevens te volgen zijn via een livestream. De link naar de livestream is door De Rechtspraak gepubliceerd en hier te vinden. 

De procedure gaat over het volgende.

Stichting JES komt op voor de belangen van Nederlandse slachtoffers die door toedoen van Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië oorlogsschade hebben geleden. Hieronder vallen mensen die de meest verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt, in Japanse interneringskampen en daarbuiten. Aan veel van de slachtoffers is door de Japanse bezetter onomkeerbare fysieke en geestelijke schade toegebracht door onder andere intimidatie, opsluiting, marteling, uithongering en ontzegging van medicijnen. Daarnaast zijn inboedels geroofd en huizen, gehele wijken en dorpen vernietigd. Een reden dat hen nooit compensatie is geboden ligt ook in het optreden van de Nederlandse regering na de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse Staat heeft namelijk de weg naar schadevergoeding van Japan afgesloten door afstand te doen van de vorderingen van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog jegens Japan door middel van een Vredesverdrag (1951) en het Yoshida-Stikker-Protocol (1956). De Nederlandse Staat heeft de slachtoffers daarvoor nooit compensatie geboden. Daarnaast behandelde de Nederlandse Staat mensen uit Nederland en die uit Nederlands-Indië ongelijk wat betreft de vergoeding van oorlogsschade. Het gevolg hiervan is dat de oorlogsschade van slachtoffers uit Nederlands-Indië tot op de dag van vandaag niet is vergoed. 

Het Parool publiceerde op 10 januari 2022 een artikel over de openbaarmaking van de getuigenissen van troostmeisjes door het Nationaal Archief (https://www.parool.nl/nederland/getuigenissen-troostmeisjes-nederlands-indie-openbaar-ze-gingen-nietsvermoedend-naar-het-kantoor~b5504361/). Troostmeisjes is een eufemisme voor vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog als seksslavin misbruikt zijn door Japans legerpersoneel. Stichting JES vertegenwoordigt naast anderen ook de belangen van deze groep vrouwen. Uit het artikel in Het Parool blijkt dat deze vrouwen, die tot aan hun dood getraumatiseerd waren, nooit erkenning of compensatie, noch excuses hebben gekregen. Dit geldt ook voor andere slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog uit Nederlands-Indië. Deze mensen is groot onrecht aangedaan.

Over deze kwestie heeft Stichting JES en een groep individuele eisers tegen de Nederlandse Staat een rechtszaak aangespannen. De zitting in deze procedure vond plaats op 24 januari 2022 bij de rechtbank Den Haag. Vóór het starten van de procedure heeft Stichting JES twee brieven gestuurd naar de Staat om in overleg te treden. Hier is nooit antwoord op gekomen. In plaats daarvan is de Staat zeer onwelwillend de procedure in gegaan. De tijd begint te dringen: degenen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt zijn allemaal op zeer hoge leeftijd. De slachtoffers en nabestaanden hopen dat er nu eindelijk erkenning komt voor het leed dat de slachtoffers in Nederlands-Indië is aangedaan en hoe de Nederlandse Staat hiermee is omgegaan. Het is daarom fijn dat de rechtbank op 1 juni a.s. een oordeel zal vellen in deze zaak. Voor nadere informatie verwijs ik u naar het bijgevoegde persbericht, uitgebracht bij de dagvaarding.

Stichting JES is graag bereid u nader in te lichten over deze zaak (zowel vóór als ná de uitspraak). U kunt daarvoor contact op nemen met mij of advocatenkantoor Stibbe dat Stichting JES in deze procedure bijstaat. Contactpersoon bij Stibbe is prof. mr. T. (Tom) Barkhuysen (tel. +31 20 546 03 90).

Met vriendelijke groeten,

Hein Leversteijn (tel. 06-21891858)

Stichting Japanse Ereschulden (JES).

Den Haag.

Livestream uitspraak Stichting Japanse Ereschulden tegen de Staat!

Klik op onderstaande link voor de livestream.

https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Rechtbanken/Rechtbank-Den-Haag/Nieuws/Paginas/Livestream-uitspraak-Stichting-Japanse-Ereschulden-tegen-de-Staat-.aspx

Op woensdag 1 juni 2022 om 10.00 uur doet de rechtbank Den Haag uitspraak in de rechtszaak van vijftien individuele eisers en de Stichting Japanse Ereschulden tegen de Staat. De individuele eisers zijn ofwel zelf slachtoffer van de Japanse bezetter van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog, ofwel afstammeling van een slachtoffer, of zowel slachtoffer als afstammeling. 

De eisers hebben vergoeding van de Staat gevorderd van hun (oorlogs)schade. Zij stellen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door hun vorderingen op de Japanse staat betreffende deze schade op te geven in het kader van het Vredesverdrag met Japan, zonder dat de (Nederlandse) staat deze schade zelf heeft vergoed.

Vandaag 10 mei 2022 geen Petitie!!!!

Bandaag 19 mei 2022 geen petitie!!!

Vandaag 10 mei 2022 geen petitie.

Ondanks herhaalde verzoeken aan dJapanse ambassadeur om de ontvangst van onze maandelijkse petitie schriftelijk te bevestigen heeft hij dit wederom niet gedaan

Het bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden vindt dat onaanvaardbaar en heeft de maandelijkse petitie opgeschort. Er is geen sprake van een dialoog met Japan zolang niet op de petities formeel gereageerd wordt!

De maandelijkse demonstratie bij de Japanse ambassade op de tweede dinsdag van de maanblijven wij voeren.

Namens het bestuur van de Stichting Japanse Ereschulden,

J.F. van Wagtendonk

Petition # 329: Written receipt of acknowledgement of our petitions . 

Petition # 329: Written receipt of acknowledgement of our petitions . 

His Excellency Fumio Kishida,
Prime Minister of Japan.                                                                                                                    

The Hague, 12 April 2022
Petition: 329
Subject: Written receipt of acknowledgement of our petitions . 

Excellency, 
Every second Tuesday of the month since, the beginning of our formal discussions with the Japanese Ambassador in the Hague, the board of the Foundation of Japanese Honorary Debts presented to him a petition addressed to the Prime Minister of Japan. Each time we asked for an acknowledgement of receipt by the Prime Minister. We never received a formal acknowledgement only a verbal statement by an Ambassador that the then Prime Minster was aware our petitions. Only a letter from you as Prime Minister or on behalf of you from the Prime Minister’s office would be sufficient.  

Prime Minister,
It is common in the western world as a matter of respect that a formal official letter addressed to a Prime Minister is formally acknowledged by a receipt to the sender. This simple gesture of respect seems not to apply to our petitions.  

Prime Minister,
The world is in turmoil coping with Covid 19 and the Russian invasion of Ukraine. During these times one should more then ever pay respect and adhere to common courtesy and observe the rules of etiquette as long one is in dialogue. We have tried to maintain that dialogue with Japan in the hope that one day the Japanese government would  realize that acknowledgement and respect for each other is required in order to continue that dialogue. 

Prime Minister,
For the members and the board of Foundation of Japanese Honorary Debts, who personally or through their deceased parents remember well the horrors of war, the time to acknowledge is long overdue. Show respect and acknowledge the receipt of this petition and all previous 328 petitions!

On behalf of the Foundation of Japanese Honorary Debts.

J.F. van Wagtendonk
President.

Pleitnota door buro Stibbe

Klik hier om de pleitnota in te zien.

Petition # 328: The Japanese invasion of the Dutch East Indies started 80 years ago after the Java Sea battle.

Petition # 328: The Japanese invasion of the Dutch East Indies started 80 years ago after the Java Sea battle. 

His Excellency Fumio Kishida, 
Prime Minister of Japan.                                                                                                            

The Hague, 8 March  2022 
Petition: 328
Subject: The Japanese invasion of the Dutch East Indies started 8o years ago after the Java Sea battle. 

Excellency, 
27 February 1942, 80 years ago, the  Java Sea naval battle took place between Japan and the Combined Striking Force of Dutch, Australian, British and American naval forces. The Combined Forces tried to stop the Japan invasion of Java. They failed and the former Dutch East Indies were invaded by the Japanese military.

The memorial service remembering that 80 years ago the battle took place was attended by Princess Beatrix, the former Dutch Queen.  On the Dutch side about 1.000 naval service men died. The surviving Dutch from Dutch East Indies remember it well. They still hope that one day Japan will acknowledge that it has the honorable duty to accept the historic responsibility for the unlawful attack and subsequent invasion, and acknowledge the misdeeds of its military during the occupation. The failure to accept this continues unmeasurable pain and sorrow for the survivors and their next of kin.

Prime Minister, 
The present Russian invasion of  Ukraine reactivate the raw memories of war and subsequent harsh occupation by the Japanese military. History appears to be repeated now by Russia for the Russians, equivalent to  Japan’s historic pronouncement “Asia for the Asians”.

Our sympathy is with the Ukrainians and we hope that Russia will not be able to occupy Ukraine as Japan did in Asia.

We look forward to our discussion with the Ambassador today and to your acknowledgement of the receipt of this petition confirming your personal attention and the need for a meaningful dialogue.

On behalf of the Foundation of Japanese Honorary Debts.

J.F. van Wagtendonk
President.

Petition # 327: Review of petition 326 Will Japan this year recognize that for a dialogue response is required? 

His Excellency Fumio Kishida,
Prime Minister of Japan.                                                                                                                        

The Hague, 8 February 2022
Petition: 327
Subject: Review of petition 326 Will Japan this year recognize that for a dialogue response is required? 

Excellency, 

Due to the Corona restrictions we were unable to discuss our petition 326 with the Japanese Ambassador in The Hague. As the subject of this petition is of the utmost importance for our dialogue we table this petition again. We hope and expect that the Japanse Ambassador had the opportunity to discuss the contents of petition 326.

We look forward to our discussion today and to your acknowledgement of the receipt of this petition.

On behalf of the Foundation of Japanese Honorary Debts.

J.F. van Wagtendonk
President.

Artikel Trouw: De rechter liet afstandsmoeders (en Oorlogsgetroffen uit Voormalig Nederlands Indië) in de kou staan. En wat doet de overheid?

De rechter liet afstandsmoeders in de kou staan. En wat doet de overheid?

De rechter kan het leed dat ‘tweederangsburgers’ is aangedaan niet altijd goedmaken. Het antwoord moet echt van de overheid komen, stellen Nicole Immler en Niké Wentholt, onderzoekers in het ‘Dialogics of Justice’ project aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Redactie Trouw3 februari 2022, 13:14

Steeds vaker moet de rechter een oordeel vellen over historisch onrecht. Vorige week eiste de Stichting Japanse Ereschulden compensatie van de Nederlandse staat voor oorlogsschade onder de Japanse bezetter. Twee dagen later kreeg de staat gelijk in de zaak over de ‘afstandsmoeders’ die gedwongen hun kind afstonden. Beide zaken gaan over een overheid die een categorie van ‘tweederangsburgers’ creëerde en niet wilde beschermen. Omdat de staat zijn fouten blijft ontkennen, ervaren deze groepen het historische onrecht als een voortdurend onrecht en zoeken zij erkenning in de rechtszaal.

Emotionele lading

In de zaak van de afstandsmoeder leek de rechter haar positie in deze zoektocht te bevestigen. ‘Ik hoor u’, reageerde zij op het persoonlijke verhaal van de eiseres, die beschreef hoe zij in de jaren zestig als ongehuwde moeder – indertijd vaak gezien als ‘gevallen vrouw’ – haar kind moest afstaan. En ook in de zaak van de Japanse Ereschulden erkende de rechter dat de ‘juridisch-technische’ taal maar gedeeltelijk recht doet aan de emotionele lading.

Dat het überhaupt tot een rechtszaak komt, is op zichzelf een stap in de richting van erkenning. Tenslotte reisde de Stichting Japanse Ereschulden 28 jaar lang zonder succes af naar de Japanse ambassade, en gingen de afstandsmoeders vergeefs het gesprek met de Raad van de Kinderbescherming en de staat aan. De rechter zette de deur in beide gevallen wél open.

Toch voelen de afstandsmoeders zich nu ‘opnieuw in de kou gezet’, aldus Trudy Scheele-Geertsen, die samen met het bureau Clara Wichmann de rechtszaak aanspande, omdat de rechter de staat en de Raad voor de Kinderbescherming vrijuit liet gaan. Zij hadden destijds geen ‘structurele’ en ‘juridisch verwijtbare’ fouten gemaakt. De vrouwen werden gedwongen hun kind af te staan, zo stelde de rechter, door een samenspel van sociale en religieuze opvattingen.

De rechter erkende hun leed, maar bood geen adequaat juridisch antwoord. Dit doet extra pijn. De moeders stapten juist naar de rechter omdat de staat en de maatschappij geen erkenning en gerechtigheid boden. Nu kaatste de rechter deze bal simpelweg terug.

Van zaken als Srebrenica en Rawagede weten we dat ze inderdaad het maatschappelijke debat kunnen openbreken. Maar het gevaar is dat dit gesprek alleen gaat over erkenning van het leed toen, terwijl de Stichting Japanse Ereschuld en de Afstandsmoeders, en veel andere slachtoffergroepen, juist verandering in het nu vragen.

Beide zaken laten zien: de Nederlandse staat handelt structureel onzorgvuldig jegens diegenen die op dat moment als tweederangsburgers werden beschouwd. Of dat nu oorlogsslachtoffers op niet-Europees grondgebied zijn, of ongehuwde vrouwen. De staat verschuilt zich graag achter maatschappelijke normen ‘van toen’. Maar ze is net zo goed maker van deze normen.

Fouten blijven ontkennen

Zaken van historisch onrecht maken pijnlijk duidelijk wat er gebeurt als we de ‘tijdgeest’ haar gang laten gaan. Zoals ook historicus Mathieu Segers heeft gesteld naar aanleiding van de toeslagenaffaire: instituties moeten meer zelfonderzoek doen. In plaats van fouten te blijven ontkennen (een uiting van ‘de morele superioriteit van het ambtelijke apparaat’) moet de staat een opener en actievere houding aannemen tegenover diegenen die het leed heeft aangedaan. In de woorden van de Stichting Japanse Ereschulden: ‘Ga met ons aan de tafel zitten om een fatsoenlijk besluit te bespreken’.

De vraag die de rechter niet heeft beantwoord, maar die wij als maatschappij wel moeten stellen, is: hoe willen we dat onze instituties omgaan met de meest kwetsbaren? Met zowel de zaak Japanse Ereschulden, de afstandsmoeders en de toeslagenaffaire vers in ons geheugen, zijn dit geen opdrachten van het verleden, maar juist van nu.

Rijksmuseum ontkent Bersiap!

Het Rijksmuseum kondigde op 11 januari 2022 de tentoonstelling “Revolusi” aan. Onderwerp is Indonesië’s onafhankelijkheidsstrijd 1945-1949, met nadrukkelijke aandacht voor hoe die er van Indonesische kant uitzag.

Daartoe had men Indonesische gast-conservator historicus Bonnie Triyana uitgenodigd, die meldde dat men in die tentoonstelling het woord “Bersiap” om het woelige half jaar na Japan’s capitulatie te duiden niet zou gebruiken. Tot zover tot uw dienst: De Indonesiërs gebruiken zelf die term niet, in eigen land, je zou het vanuit Nederland een blinde vlek kunnen noemen. Dus logisch?

Maar voor mensen die die onafhankelijkheidsstrijd al dan niet van de zijlijn in Indonesië meemaakten is dat een cruciale tijd. Van Nederlanders die zowel de jappenkampen als de bersiaptijd overleefden kan je horen dat die bersiaptijd veel erger was dan de tijd in het jappenkamp: de Japanners handhaafden wetten die weliswaar niet de onze waren, maar die na een tijd voorspelbaar waren. In de bersiaptijd was niets voorspelbaar maar alles potentieel dodelijk.

Voor de Indische Nederlanders, die veelal buiten de japppenkampen verbleven, was de bersiaptijd uiterst traumatisch, omdat ze anders dan de jappenkampbewoners, weerloos aan de moordzuchtige pemoeda’s waren overgeleverd, slechts beschermd door bevriende Indonesiërs.

Die bersiaptijd zette ook mede de toon van de Nederlandse interventie: “Orde en Rust” zou men brengen als voorwaarde voor verdere onderhandelingen.

Maar nu is helemaal uit Indonesië het nieuwe inzicht gekomen, verwoord door Bonnie Triyana: het gebruik van “bersiap” om deze periode te duiden is racistisch, want het verraadt een gebrek aan achting voor de beschaving van de pemoeda’s.

Die pemoeda’s waren jong, weinig geschoold, en zeker niet fijn besnaard. Een gebrek aan achting voor opgezweepte jongelieden die je vrienden of familie in stukken sneden, al dan niet voorafgegaan door marteling of verkrachting is niet onlogisch en zeker niet racistisch.

Het is ook niet zo dat in Nederlandse ogen alle Indonesiërs door de bersiap zijn gekarakteriseerd: Indië-veteranen weten feilloos te differentiëren tussen verschillende categoriën tegenstanders van toen. Men wist dat als je in handen van de TNI viel je redelijk behandeld werd, terwijl, in het geval pemoeda’s je overmeesterden, je werd afgeslacht.

Dat de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd in Nederland ook vanuit Indonesisch perspectief wordt belicht was en is een goede zaak. Ook wellicht voor Indonesische historici die door contact met Nederland sommige Nederlandse acties beter zullen kunnen duiden. Maar als die belichting uitsluitend betekent dat een weinig fraaie periode wordt weggemoffeld dan is er geen sprake meer van uitwisseling maar van een te ver doorschieten in de woke-beweging.

En dan nog dit: Nederland telt vele subgroepen die een stuk gemeenschappelijke identiteit ontlenen aan gedeelde ervaring. Voor de oud-kampbewoners is dat het jappenkamp, en voor de Indische Nederlanders is dat de buitenkamp-ervaring culminerend in de bersiap. Met wat in feite een bersiap-ontkenning is ontneem je een belangrijke groep Nederlanders een belangrijk stuk van hun identiteit. Dan moet je niet verbaasd zijn over heftige reacties.